logo

Elke tijd kent zijn dwarsliggers

Men noemt mij, Vrouwe, harteloos.
Ben ik terecht hierover boos,
of schuilt er toch wat waarheid in?
(Ziezo: dit is een puik begin…)

Mijn voorbeeld is een troubadour,
uw opa, hertog Willem!
Hij zong (het was een hele toer)
een liedje om te gillen!

Een lied dat ‘niets’ tot thema had,
geen ‘lente’, ‘jeugd’ of ‘minne’!
Ja, heel zijn kop was één groot gat…
Dit brengt mij tot bezinnen.

Want ‘niets’ lijkt ook de kern te zijn
van wat hier werd besproken.
Ging het echt over liefdespijn,
of zagen wij slechts spoken?

(Naar een lied van Guilhem IX van Poitiers, grootvader van Eleonora van Aquitanië)

Elk tijdperk kent zijn dwarsliggers. Troubadour en hekeldichter Bertram de Born (1140 – ca. 1210) was er eentje. In het boek is hij een spotter die niets van zoetgevooisde liefdeslyriek moet hebben.