logo

Hoe het leven botst met de leer

Gravin Marie schreed naar de tafel, maar ze klom er niet op. Als één man gingen de toehoorders in het bedauwde gras zitten en namen een gewijde stilte in acht. Marie vouwde een perkament open. In de nachtelijke takken zuchtte de geest van Andreas. ‘Ik lees u een lai van mijn hand,’ zei ze met haar belletjesstem, en Guillaume le Maréchal lichtte haar met een walmend lampje bij, ‘al is dit vers te beknopt om die naam waardig te zijn. Rijm en maat verspringen nogal grillig… Ik vraag clementie, nabestaanden en vrienden! Te haastig zijn deze verzen neergeschreven in het uur van Andreas’ dood.’

Doodeenzaam zal ik dolen door de gangen van mijn slot.
Geen minnaar, man of lief die ’t liet gebeuren,
het is de minne niet die mij doet treuren,
veeleer de wijze bron daarvan: Andreas, man van God.
Zelfs mijn verdriet is nietigheid bij alle hoon en spot
die hij als kapelaan heeft moeten dragen:
hij had tot taak de moederkerk te schragen,
maar soms, in stille uren, dan vervloekte hij zijn lot.
De man die niet eens minnen mocht, vanwege het gebod
om als een kuise engel Hem te eren,
begon, om niet vanbinnen weg te teren,
de minne te verklaren als een dichterlijke zot.
Heb dank daarvoor, o vriend, ook al hielp het jou zelf niet.
En aan je broertje vraag ik: maak hiervan een mooi lied.

Marie treurt om de overleden Andreas, haar hofkapelaan en de halfbroer van de hoofdpersoon – niet wetend dat hij zijn leven heeft beëindigd met vergif.